Mont-Saint-Aubert: 1ste generatie

De geschiedenis van de familie de Bethune gaat minstens terug tot de 16de eeuw. Hun oudste bekende voorvader was Louis Bethune (1551-1632), een landbouwer afkomstig uit Mont-Saint-Aubert, nabij Doornik.

Rijsel: 4de generatie

Zijn kinderen bleven in deze regio wonen, maar ten gevolge van diverse oorlogen, waaronder de Negenjarige oorlog (1688-1697), vluchtten zijn achterkleinkinderen naar Rijsel. Daar werden ze opgevangen door de jongste broer van hun moeder, Jean Bardoel.

Pierre Bethune, 1672-1735

Pierre Bethune (1672-1735) richtte er een welvarende specerijenhandel op. Die nam het grootste deel van zijn tijd in beslag, waardoor hij pas op 45-jarige leeftijd in het huwelijksbootje stapte. Zijn echtgenote was Marie-Thérèse Quiébé.Samen kregen ze zes kinderen. Slechts twee jongens overleefden hun kinderjaren.

Marie Thérèse Quiébé, 1689-1724

Kortrijk: 5de generatie

Hun jongste zoon, Jean Baptiste Bethune (1722-1791), verhuisde naar aanleiding van zijn huwelijk naar Kortrijk. De totstandkoming van dit huwelijk ging niet zonder slag of stoot. Jean-Baptiste schreef meerdere brieven waarin hij naar de hand van Jeanne-Thérèse Van Dale dong.

Jean Baptiste Bethune, 1722-1791
Jeanne Thérèse Van Dale, 1721-1776

Pas na de tussenkomst van pater Dutoict, gaf Joseph Van Dale, de broer van Jeanne-Thérèse, de toestemming tot het huwelijk. Eens getrouwd nam Jean-Baptiste de linnenhandel van de familie Van Dale over.

Joseph Van Dale,
1716-1781

6de generatie

Jean Baptiste Bethune
1757-1791
Thérèse Delebecq,
1768-1844

De zaak kende een enorme bloei en zou tot het midden 19de eeuw onder de naam Bethune & fils in handen van de familie blijven. Jean-Baptiste junior (1757-1791) breidde de zaak uit met twee blekerijen en wist de omzet te verzesvoudigen. Hij stierf echter jong en het was zijn weduwe, Marie-Thérèse Delebecq, die de fabriek na de Franse Revolutie in handen nam, samen met haar nieuwe echtgenoot François van Ruymbeke. Met de opbrengst van de zaak bouwde het koppel het kasteel van Marke als buitenverblijf.

Tuinzicht van de familiewoning in de Leiestraat in Kortrijk. Aangekocht door Jean-Baptiste Bethune in 1757, gerenoveerd door François van Ruymbeke in 1798-1799, verkocht in 1901 en afgebroken in 1964.

Politiek engagement: 7de generatie

Vanaf de 19e eeuw oriënteerde de familie zich meer politiek. Felix Bethune (1789-1880), de tweede zoon van Jean-Baptiste junior en Marie-Thérèse, was lid van het Nationaal Congres (de eerste wetgevende vergadering van de Belgische staat), senator (1844-1870) en burgemeester van Kortrijk (1836-1854). Vanwege zijn politieke verdiensten werd de familie later ook in de adelstand verheven: Bethune werd de Bethune.

Julie Adèle de Renty, 1792-1856
Félix Bethune, 1789-1880

Ook zijn kinderen en kleinkinderen, waaronder Paul Bethune (1830-1901) en Emmanuel de Bethune (1869-1909), traden in zijn voetsporen. Tot nu toe telt de familie maar liefst vijf schepenen, vijf provincieraadsleden, vier burgemeesters, drie senatoren, één gouverneur en één volksvertegenwoordiger.

Pionier van de neogotiek: 8ste generatie

Drie generaties in 1889 (v.l.n.r.): Jean Baptiste (1821-1894), Jean Baptiste (1885-1902) en Jean Baptiste (1852-1907).

Ook op artistiek vlak was de familie actief. Vooral Jean-Baptiste Bethune (1821-1894) verwierf als pionier van de neogotiek in België (inter-)nationale faam. Hij realiseerde tal van bouwwerken zoals het kasteel van Loppem, de abdij van Maredsous, het Engels Seminarie te Brugge en het neogotisch dorp Vivenkapelle. Samen met de Broeders van de Christelijke scholen richtte hij in Gent de Sint-Lucasscholen op. De scholen werden bekend om hun vakbekwame ambachtslieden die werkten volgens de principes van de christelijke middeleeuwse kunst.

9de generatie

Uit zijn huwelijk met Emilie van Outryve d’Ydewalle in 1848 kreeg Jean Baptiste negen kinderen, van wie er vier een politieke carrière uitbouwden:

François, Emmanuel, de nichtjes Marie en Cecile de la Court en Joseph de Bethune op de kasteelvijver, 1899.

10de generatie

Jean-Baptiste de Bethune (1900-1981) is de zoon van Emmanuel de Bethune en Joséphine de Ghellinck d’Elseghem. Hij werd in Marke geboren in 1900 en huwde in 1928 met Louise de Vinck. Zijn carrière was, zoals bij vele Bethunes, voornamelijk politiek georiënteerd. Van 1936 tot 1946 was hij provincieraadslid in West-Vlaanderen en vanaf 1938 ook schepen van Marke.

11de generatie

Emmanuel de Bethune (1930-2011) was gehuwd met Margaretha van Cauwelaert de Wyels (geb. 1935), dochter van Karel van Cauwelaert de Wyels. Ze hebben vier kinderen: Sabine, Jean, Godelieve en Emmanuel.

Na een periode als docent aan de Lovanium universiteit in Belgisch-Congo, werd hij ambtenaar op het Ministerie van Binnenlandse Zaken om dan vanaf 1965 actief te worden in de gemeentepolitiek in Marke. Hij was er burgemeester van 1971 tot 1976. Na de fusie met Kortrijk (1977) werd hij er schepen en burgemeester.